De juiste pneumatische slang kiest u op binnendiameter, want die bepaalt hoeveel lucht er doorheen kan. Te dun geeft drukval en trage cilinders, te dik kost onnodig geld en lucht. In dit artikel leest u welke maat past bij welk debiet en welke poortmaat.
Pneumatiekslang wordt aangeduid op buitendiameter: 4, 6, 8, 10 en 12 mm zijn de gangbare maten. De doorstroming wordt echter bepaald door de binnendiameter, en die hangt af van de wanddikte en het materiaal. Een slang van 6 mm buiten in PU heeft een andere binnenmaat dan dezelfde 6 mm in een dikwandige PA-uitvoering. Controleer dus altijd de binnenmaat op het datablad, niet alleen de buitenmaat.
Hoe groter het debiet en hoe langer de leiding, hoe ruimer de binnendiameter moet zijn. Het verband tussen debiet en leiding leest u in wat is debiet.
Een eenvoudige vuistregel: kies de binnendiameter van de slang minstens gelijk aan de poortmaat (de schroefdraad) van het ventiel of de cilinder. Een ventiel met aansluiting G1/8 vraagt al gauw om 6 mm slang, G1/4 om 8 mm en G3/8 om 10 mm. Een slang dunner dan de poort knijpt de doorstroming af en maakt de grotere poort zinloos.
Onderstaande tabel geeft de gangbare binnenmaten per buitenmaat.
| Buitenmaat | Typische binnenmaat | Typische toepassing |
|---|---|---|
| 4 mm | 2,5 mm | Besturingslucht, sensoren, korte aansturingen |
| 6 mm | 4 mm | Ventielaansturing, kleine cilinders |
| 8 mm | 6 mm | Middelgrote cilinders, hogere snelheid |
| 10 mm | 8 mm | Grotere cilinders, hoger debiet |
| 12 mm | 10 mm | Verdeelleidingen, grote cilinders |
Dit zijn de meest voorkomende afmetingen voor PU-persluchtslangen. Controleer altijd het datablad van de gekozen slang, omdat de werkelijke binnenmaat per materiaal en serie kan verschillen.
Over een korte slang van een halve meter merkt u nauwelijks drukval. Wordt de leiding enkele meters lang, dan loopt het drukverlies snel op en kan een cilinder merkbaar trager worden. Bij lange aanvoerleidingen kiest u daarom een maat ruimer dan de vuistregel aangeeft, of u verkort de slang. Voor de hoofdverdeling in de werkplaats gebruikt u bij voorkeur een vaste leiding met ruime diameter en pas op de laatste meters de flexibele slang naar de cilinder.
| Keuze | Gevolg |
|---|---|
| Te dun | Drukval, trage cilinder, minder kracht, ventiel kan de cilinder niet snel genoeg vullen |
| Te dik | Duurder, meer dood volume, langere reactietijd bij het op druk komen, onhandig te monteren |
De juiste maat zit daar tussenin: ruim genoeg voor het debiet, niet groter dan nodig. Let bij de keuze ook op de juiste pneumatische koppeling, want de koppeling moet bij dezelfde buitenmaat passen.
Slang wordt aangeduid op buitendiameter (4, 6, 8, 10 of 12 mm), maar de doorstroming wordt bepaald door de binnendiameter. Kies op binnenmaat en controleer die op het datablad, want hij hangt af van wanddikte en materiaal.
Als vuistregel houdt u de binnendiameter minstens gelijk aan de poortmaat. Een aansluiting G1/4 vraagt al gauw om 8 mm slang, G1/8 om 6 mm en G3/8 om 10 mm.
Een te dunne slang geeft drukval. De cilinder beweegt trager en levert minder kracht, omdat het ventiel de cilinder niet snel genoeg met lucht kan vullen.
Ja. Hoe langer de leiding, hoe meer drukval over dezelfde diameter. Bij lange aanvoerleidingen kiest u een ruimere maat of verkort u de slang.
Een slang wordt vaak aangeduid met buiten- en binnenmaat, bijvoorbeeld 6/4 voor 6 mm buiten en 4 mm binnen. Voor het debiet telt de binnendiameter.